Proces van het steenbakken
De dagen zijn lang en starten vroeg: om 5 uur. Eerst wordt een geschikt perceel één tot anderhalve meter diep uitgegraven. Dit gebeurt van maart tot oktober en men trekt daarvoor seizoensarbeiders aan.
De arbeiders brengen de uitgegraven grond met een kruiwagen tot bij een tafel. Daar voegt de morremaker water toe, om van de klei een homogene slappe brei te maken.
De vormer legt deze specie in de afdraagvormen. Hij stampt de klei aan in de vorm, met de hand en met een plankje, en hij strooit er wat zand bovenop.
De afdragers, meestal jonge vrouwen of mannen, brengen deze vormen naar de lagerhuizen en keren ze voorzichtig om op de vlakke grond, om ze te laten drogen in de zon.
Na enkele weken stapelt men de stenen op een speciale manier onder het afdak, zodat de wind er overal doorheen kan om een optimale droging te bereiken.
Eens er genoeg stenen zijn, zet men de buitenoven op. In de hoogdagen van de steenbakkerijen bakt men tot één miljoen bakstenen.
Het opzetten van een steenoven is een delicate opdracht. Niet iedereen kan de voet zetten: vakjargon voor het leggen van de basis van de oven. Daarvoor gebruikt men oude harde stenen. De bouwer zorgt voor genoeg luchtkanalen, opdat de brandende oven genoeg verse lucht kan aanzuigen.